Onderzoek bestaande anti-epileptica


Een behandeling van epilepsie met geneesmiddelen heeft onvoldoende resultaat wanneer toch regelmatig aanvallen optreden of wanneer de kwaliteit van het leven als onvoldoende wordt gezien. In de Verenigde Staten wordt geschat dat 45% van de epileptici een niet (geheel) bevredigend resultaat van de behandeling bereikt. Een vorm van epilepsie wordt refractair genoemd als een combinatie van maximaal gedoseerde bestaande anti-epileptica onvoldoende werkt. Partiële vormen reageren nogal eens onvoldoende op farmacotherapie. In klinische studies kunnen vanwege ethische overwegingen uitsluitend nieuwe therapieën bij therapie-resistente epilepsie worden onderzocht. Problematisch is verder de beoordeling van een kwantitatief effect.

In de afgelopen jaren is een nieuwe generatie van chemisch niet-verwante anti-epileptica in de
belangstelling komen te staan. Dat is terecht aangezien bestaande therapieën niet optimaal zijn. Het
bestaande arsenaal kan echter, gelet op de eigenschappen van de nieuwe verbindingen, zeker nog niet worden gemist.

Carbamazepine, fenytoïne en valproaat, zowel als monotherapie als in combinaties met elkaar, zijn middelen van de eerste keus bij primair gegeneraliseerde tonisch-clonische epilepsie (grand mal) en bij partiële epilepsie. Valproaat wordt verder met succes gebruikt bij myoclonische epilepsie en absences (petit mal). Ethosuximide is voor de laatste indicatie ook een werkzame mogelijkheid

Een samenvatting van de farmaceutische eigenschappen die geregistreerd zijn of in een vergaand stadium van onderzoek.

gabapintine

In het proefdieronderzoek bleek gabapentine een breed-spectrum anticonvulsivum te zijn. Ofschoon wel daarvoor ontwikkeld, is het geen GABA-agonist noch wordt de heropname van gamma-aminoboterzuur beïnvloed. Misschien wordt het metabolisme of transport van aminozuren in de hersenen beïnvloed. Er zijn enige goed opgezette klinische studies gepubliceerd. Als adjuvante therapie bij refractaire partiële epilepsie is gabapentine effectiever dan placebo. Met een dosering van 600-1800 mg/dag kon dat worden aangetoond (n=705). Een daling in aanvalsfrequentie van > 50% wordt regelmatig als responscriterium gehanteerd. Afhankelijk van het onderzoek scoort gabapentine dan 18-28% van patiëntenpopulaties. Bij behandeling met placebo was dat 8-10% van de populatie. Kortom, slechts een geringe verbetering. Directe vergelijkingen met eerstelijns anti-epileptica zijn niet voorhanden. Bij tonisch-clonische aanvallen is het middel ook werkzaam.

Een melding van verhoogde incidentie van pancreas-celtumoren bij oudere ratten in het proefdierexperiment heeft de voortgang van klinisch onderzoek afgeremd.

Desalniettemin is gabapentine onlangs door de FDA geregistreerd als een add-on therapie voor patiënten ouder dan twaalf jaar met partiële epilepsie. Het wordt gegeven in doseereenheden van 100, 200 en 400 mg. Gabapentine wordt nauwelijks gemetaboliseerd en is niet aan plasma-eiwitten gebonden. Interacties met andere AE zijn (nog) niet gemeld. Ook kan het middel zonder bezwaar worden gecombineerd met anticoagulantia of orale contraceptiva.[16] Omdat antacida de opname remmen, moet gelijktijdige dosering worden vermeden. De plasmahalfwaardetijd is ongeveer 7 uur. De normdosering is 900-1800 mg/dag met een maximum van 3600 mg. De dosering moet worden opgebouwd met steeds 300 mg/dag meer. De meest voorkomende bijwerkingen zijn duizeligheid, slaperigheid en vermoeidheid.[2 14] Omdat het middel renaal wordt geklaard, moet bij ouderen en patiënten met een nierfunctiestoornis de dosering worden aangepast.


Felbamaat

Felbamaat is chemisch verwant met meprobamaat. Het middel heeft een anticonvulsief werkingsspectrum dat lijkt op dat van valproïnezuur (valproaat). Het voordeel is de grote therapeutische breedte. Er wordt verondersteld dat de werking van felbamaat berust op de blokkade van de glycinereceptor die onderdeel is van het zogenaamde N-methyl-d-aspartaatcomplex. Verder werden neuronale 'salvo's' geblokkeerd door een remmend effect op natriumkanalen. De indicatie is als toegevoegd middel bij partiële epilepsie en bij het syndroom van Lennox-Gastaut voor kinderen ouder dan vier jaar. Laatstgenoemde aandoening is een ernstige pediatrische vorm van gegeneraliseerede epilepsie. Bij de laatste groep bleek felbamaat een positief effect te hebben op de alertheid en het neurocognitief vermogen. Felbamaat komt beschikbaar als tablet van 400 en 600 mg en als drank (120 mg/ml). De plasmahalfwaardetijd is ongeveer 24 uur en de plasma-eiwitbinding bedraagt 20%. De dosering voor volwassenen is aanvankelijk twee keer daags 600 mg en kan geleidelijk zonodig worden opgevoerd naar 3600 mg/dag in twee tot vier giften. Voedsel noch antacida beïnvloeden de resorptie.

Gedurende de eerste weken van de medicatie komen hoofdpijn, braken, duizeligheid en griep-achtige symptomen voor. Deze symptomen verdwijnen na enige tijd. Hoewel bij langdurig gebruik het middel goed wordt verdragen, zijn gewichtsverlies en slapeloosheid bijwerkingen die aandacht vragen.

Felbamaat heeft invloed op de plasmaspiegels van andere AE. Deze interactie is klinisch relevant. Zo nemen de spiegels van valproaat en fenytoïne toe met 20%, wat tot overdoseringsverschijnselen kan leiden. Verder verlaagt het middel de carbamazepine-concentratie, maar verhoogt het daarentegen de spiegel van de (farmacologisch actieve) 10,11-epoxide metaboliet. Aan de andere kant verlagen fenytoine en carbamazepine de concentratie van felbamaat, terwijl valproaat hierop geen invloed heeft.

In klinisch onderzoek verminderde felbamaat (3600 mg/dag) als een add-on therapie de frequentie van partiële insulten, die onvoldoende reageren op bestaande middelen. Felbamaat verbetert het effect van carbamazepine en fenytoïne. Atonische en gegeneraliseerde tonisch-clonische insulten alsmede absences zijn vaak therapieresistent. Bij sommige patiënten verlaagt felbamaat de frequentie van dit soort insulten aanzienlijk. Centrale bijwerkingen staan op de voorgrond en komen bij 5-10% van de patiënten voor. De dosering is1200-3600 mg/dag.De dosering in klinische trials werd beperkt tot 45 mg/dag voor kinderen en 3600 mg/dag voor volwassenen.

In augustus 1994 is melding gemaakt van het optreden van aplastische anemie bij felbamaat gebruikende patiënten. Van de tien gemelde bijwerkingen hadden er twee een dodelijke afloop. De incidentie werd geschat op 1 op 2000 patiënten. Verder is het onzeker of het optreden van leverfunctiestoornissen aan het gebruik van felbamaat kunnen worden toegeschreven. De registratie in de USA is niet beëindigd. De indicatie is beperkt tot patiënten met ernstige vormen van refractaire epilepsie.


Tiagabine heeft een molecuulstructuur waarbij nipecotinezuur (een aminozuur) via een alifatische keten een verbinding vormt met een zogenaamde 'lipofiel anker'.

Nipecotinezuur blokkeert met name de gliale opname van GABA en blijkt (mede) hierdoor anticonvulsieve eigenschappen te bezitten. Door de lipofiele groep is passage over de bloed-hersenbarrière mogelijk. In het dierproefmodel wordt na toediening per os de opname van GABA in gliale en neurale cellen geremd waardoor een krachtig anticonvulsief effect wordt bereikt. Tiagabine remt de opname van dopamine of noradrenaline niet noch stimuleert het de GABA-afgifte. Zwakke binding aan de benzodiazepinereceptor is gemeld.

Tiagabine wordt na orale toediening snel geabsorbeerd. Maximale plasmaconcentraties worden na 0,5-2 uur bereikt. Voedsel in de maag remt nauwelijks de snelheid en mate van absorptie.

De plasmahalfwaardetijd varieert van 4,5 tot 13,5 uur (gemiddeld ongeveer 7 uur). Interacties met

geneesmiddelen die het cytochroom-P450-systeem beïnvloeden treden op. Dit gegeven is van belang voor combinaties met andere anti-epileptica. In een dubbelblinde, placebo-gecontroleerde pilot-studie (n=43) kon bij een kwart van de populatie met partiële en secundair gegeneraliseerde epilepsie een daling van tenminste 50% van de insultenfrequentie worden bereikt.In een gelijksoortig vervolgonderzoek (n=322) werd bij 30% van de proefpersonen zo'n effect gemeten. De gebruikte dosis was 16-56 mg/dag. Ongeveer 10% van de patiënten staakte de medicatie vanwege geringe effectiviteit (4%) of bijwerkingen (6%). Aan de hand van enige kleinere studies lijkt tiagabine een interessante stof voor het gebruik bij focale epilepsie.Meer gericht onderzoek moet de waarde voor deze indicatie vaststellen.

Het is positief dat nieuwe farmacologische interventies beschikbaar gekomen zijn voor de behandeling van epilepsie. Er is namelijk nog steeds een aanzienlijk percentage van de patiënten ontevreden over de resultaten van de behandeling. Daarmee wordt bedoeld geringe effectiviteit, maar ook te veel bijwerkingen en lage 'quality of life'

Gabapentine lijkt als add-on therapiemogelijkheid te kunnen dienen bij partiële epilepsie. Het feit dat geen interacties met andere AE bekend zijn, is een voordeel voor een adjuvans

Felbamaat heeft een onder andere een bijzondere indicatie, namelijk het Lennox-Gastaut-syndroom. Het middel is goed gedocumenteerd; aplastische anemie is echter een gevaarlijke bijwerking die het middel alleen bij ernstige refractaire epilepsie een kans laat.

Tiagabine is een veilig en interessant middel waarvan bekend is dat het de werking van GABA versterkt. Meer ervaring met en registratie van dit middel is nodig alvorens er hier mee gewerkt kan gaan worden.






We zijn afhankelijk van giften en baten wij vragen u ons te steunen. U bijdrage is welkom op giro: 8 4 4 5 5 8 7 vast bedankt

Copyright © Stichting Epilepsie Netwerk