Carbamazepine Merknaam Tegretol®

Farmaceutische vorm Tegretol 100 en 400 mg
Tegretol CR 200 en 400 mg Deelbaar tablet met gereguleerde afgifte
Tegretol stroop Per ml carbamazepine 20 mg

Wordt voorgeschreven bij,
Partiële aanvallen met een gecompliceerde symptomatologie (psychomotorische aanvallen) of met een eenvoudig symptomatologie (Jackson-epilepsie).
Primaire gegeneraliseerde epilepsie of secundaire gegeneraliseerde aanvallen met een tonisch-clonische component (grand mal).
Gemengde vormen van deze aanvallen.

Dosering en wijze van toediening (Richtlijn)

De behandeling moet individueel met een lage aanvangsdosis worden begonnen en vervolgens langzaam tot een optimaal werkzame onderhoudsdosis worden verhoogd. Het volgende doseringsschema geeft alleen maar richtlijnen, die moeten worden aangepast aan de reactie van de patiënt. In het algemeen dient men ernaar te streven, met een zo laag mogelijke dosis een optimaal effect te bereiken. De behandelingsduur is afhankelijk van de ernst en het verloop van de aandoening. Wordt overgegaan van een bestaande medicatie op Tegretol, dan dient de dosis van het andere anti-epilepticum geleidelijk te worden verminderd.
Dosis voor volwassenen en kinderen boven 15 jaar
Men begint met tweemaal daags 100 à 200 mg. De dosis moet daarna langzaam worden verhoogd, totdat - gewoonlijk met tweemaal daags 400 mg - een optimaal effect wordt verkregen.
Dosis voor kinderen van 5 tot 15 jaar
Begonnen wordt met 100 mg/dag, met wekelijkse intervallen toenemend met 100 mg, totdat -gewoonlijk met tweemaal daags 200 mg - een optimaal effect wordt verkregen.
Dosis voor kinderen beneden de leeftijd van 5 jaar
Voor kinderen beneden de leeftijd van 5 jaar is Tegretol CR niet erg geschikt, omdat deze tabletten (of de halve tabletten) niet gekauwd mogen worden. Bovendien zij men er op bedacht, dat de laagste dosis, die met Tegretol CR kan worden verkregen, 100 mg is. Deze dosis is te hoog voor kinderen beneden 4 jaar. Aanbevolen wordt een aanvangsdosering van 20 tot 60 mg/dag Tegretol stroop 2% toenemende met 20 tot 60 mg om de andere dag.

Richtlijn onderhoudsdosis epilepsie

Per dag 10-20 mg/kg lichaamsgewicht per dag d.w.z kinderen tot 1 jaar: 100-200 mg, van 1 tot 5 jaar 200-400 mg, van 5 tot 10 jaar 400-600 mg, van 10 tot 15 jaar 600-1000 mg, over de dag verdeeld in gefractioneerde doses.
Richtlijn trigeminusneuralgie
De aanvangsdosis van 200-400 mg per dag moet geleidelijk verhoogd worden tot de pijn geheel verdwenen is, meestal bij 3 à 4 maal 200 mg per dag. Het is bij een deel van de patiënten mogelijk, vervolgens die dosis weer geleidelijk te verlagen tot een onderhoudsdosis is verkregen, die nog juist voldoende is om pijnaanvallen te verhinderen. Bij oudere en bij zeer gevoelige patiënten is een aanvangsdosis van 2 maal daags 100 mg aan te bevelen.

Richtlijn alcoholabstinentiesyndroom

De gemiddelde dosis is 200 mg driemaal daags. In ernstige gevallen kan deze dosering gedurende de eerste paar dagen verhoogd worden tot 400 mg driemaal daags. Bij het begin van de behandeling van ernstige abstinentie verschijnselen dient Tegretol te worden toegediend in combinatie met sedativa (hypnotica, bv. clomethiazol of chloordiazepoxide). Na het verdwijnen van het acute stadium dient Tegretol te worden verstrekt als monotherapie.
Richtlijn diabetes insipidus centralis
Gemiddelde dosis voor volwassenen: 200 mg twee à driemaal daags. Bij kinderen moet de dosis overeenkomstig de leeftijd verminderd worden.
Richtlijn manie en profylactische therapie bij manisch-depressieve (bipolaire) aandoeningen
De dosis bedraagt 200-1600 mg per dag, gewoonlijk 400-600 mg per dag, verdeeld over 2 à 3 doses.
Toedieningswijze
Tegretol moet tijdens of na de maaltijd met vloeistof worden ingenomen
Tegretol CR moet in zijn geheel zonder te kauwen worden ingenomen. Door de gereguleerde afgifte van het carbamazepine is bij Tegretol CR in de regel een tweemaal-daagse dosering mogelijk.
Tegretol tabletten moeten tijdens of na de maaltijd met wat vloeistof worden ingenomen.
Tegretol stroop mag onverdund worden ingenomen. Er is een maatlepel aan de verpakking toegevoegd. Deze heeft twee verdeelstrepen, namelijk 2½ ml (= 50 mg werkzame stof) en 5 ml (= 100 mg werkzame stof). In uitzonderingsgevallen, (b.v. bij kinderen beneden 1 jaar) kan de hoeveelheid, die per keer moet worden opgedronken, nog kleiner zijn dan 2½ ml. Het is dan aan te raden, een zo kleine hoeveelheid op een andere wijze af te meten, b.v. met een plastic wegwerpinjectiespuit. Na toediening van Tegretol stroop ontstaan hogere maximale plasmaconcentraties dan na inname van Tegretol tabletten. Het is daarom raadzaam, om bij gebruik van Tegretol stroop met een lagere dosering te beginnen en de dosis geleidelijk te laten toenemen.

Overschakelen

Van gewone Tegretol tabletten op Tegretol CR: De klinische ervaring heeft geleerd, dat bij sommige patiënten de dosering in de vorm van Tegretol CR -uitgedrukt in het aantal milligrammen- eventueel hoger moet zijn dan die met conventionele Tegretol tabletten.
Van gewone Tegretol tabletten op Tegretol stroop: Het is aan te raden, hetzelfde aantal milligrammen per dag toe te dienen in de vorm van kleinere, meer frequente, doses.

Contra-indicaties

Bekende overgevoeligheid voor carbamazepine of voor in chemisch opzicht verwante geneesmiddelen (b.v. tricyclische antidepressiva). Atrioventriculair block. Beenmergdepressie in de anamnese. Acute intermitterende porfyrie in de anamnese.

Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik * Hematologisch (bloedbeeld)
Een voorbijgaande of persisterende milde leukopenie (vermindering witte bloedcellen) en/of trombocytopenie (vermindering bloedplaatjes) komen af en toe tot frequent voor. Deze effecten zijn echter in de grote meerderheid van de gevallen van voorbijgaande aard of klinisch niet relevant. Daarnaast kan een zeer zelden voorkomende ernstige persisterende leukopenie optreden die kan uitmonden in een agranulocytose (plotselinge verdwijning van bepaalde witte bloedcellen uit het bloed). Vóór het begin van de behandeling dienen de uitgangswaarden van het complete bloedbeeld, met inbegrip van trombocyten (bloedplaatjes), en mogelijkerwijze reticulocyten en serumijzer, te worden vastgesteld. Hoewel de waarde van regelmatige bloedbeeldcontrole soms betwijfeld wordt, stellen sommige specialisten richtlijnen voor, b.v. gedurende de eerste maand éénmaal per week, daarna gedurende de volgende 5 maanden éénmaal per maand, en vervolgens 2 tot 4 maal per jaar. Indien gedurende de behandeling zeer lage of in sterke mate verlaagde aantallen leukocyten of trombocyten waargenomen worden, moeten de patiënt en het complete bloedbeeld zorgvuldig bewaakt worden. De behandeling met carbamazepine moet worden beëindigd, indien enig bewijs van een significante beenmergdepressie optreedt. Indien symptomen optreden, die op een ernstige huidreactie wijzen, b.v. het Stevens-Johnsonsyndroom of het syndroom van Lyell, moet de behandeling met carbamazepine direct worden gestaakt. De therapie met carbamazepine dient uitsluitend onder toezicht van een arts plaats te vinden.

Het verdient aanbeveling, om de patiënten te leren letten op potentiële hematologische complicaties, alsmede op symptomen van dermatologische of hepatische reacties. Als reacties, zoals koorts, een zere keel, uitslag, zweren in de mond, gemakkelijk optredende kwetsuren (blauwe plekken), petechiae (puntvormige huidbloedingen), of purpura haemorrhagica (bloeduitstortingen) optreden, moet de patiënt de arts onmiddellijk waarschuwen.

* Absences (petit mal)

Carbamazepine is bij absences in het algemeen niet werkzaam. Indien carbamazepine wordt toegepast bij patiënten met gemengde epilepsievormen, waarbij bij een patiënt verschillende aanvalstypen, waaronder atypische absences, optreden, dient de behandeling voorzichtig te geschieden. Er zijn namelijk enige aanwijzingen dat bij patiënten met atypische absences onder carbamazepine een verhoogde frequentie van gegeneraliseerde aanvallen kan optreden. Ingeval van exacerbatie van de aanvallen moet de behandeling met carbamazepine worden gestaakt.

* Anamnese hart-, lever- of nierziekten of hematologische bijwerkingen ander geneesmiddel

Het dient geneesmiddel slechts na een kritische afweging van het nut tegen het risico te worden voorgeschreven; daarna moeten de patiënten zorgvuldig worden bewaakt. Vooral bij patiënten met leverziekten in de anamnese en bij oudere patiënten moet de leverfunctie vóór en tijdens de behandeling met carbamazepine worden gecontroleerd. Als de leverfunctie slechter wordt, of indien een actieve hepatitis optreedt, moet de behandeling met carbamazepine direct worden gestaakt.

* Urine onderzoek

Het verdient aanbeveling om voor het begin van de behandeling de uitgangswaarden te bepalen van de complete urine-analyse en van "blood urea nitrogen" en om deze bepalingen tijdens de therapie periodiek voort te zetten.

* Huidaandoeningen

Lichte huidaandoeningen, b.v. geïsoleerd exanthema maculosum of maculopapuleum, zijn meestal van voorbijgaande aard en niet gevaarlijk en zij verdwijnen gewoonlijk tijdens de voortgezette therapie binnen enige dagen of weken terwijl men de dosering ongewijzigd laat, of na een vermindering van de doses. Toch moet men de patiënt in zulke gevallen zorgvuldig bewaken.

* Glaucoom

Carbamazepine heeft een licht anticholinerg effect; patiënten met een verhoogde intraoculaire (in het oog) druk moeten daarom tijdens de therapie zorgvuldig worden gecontroleerd.

* Psychose

Men moet rekening houden met de mogelijkheid, dat activering optreedt van een latente psychose of dat bij oudere patiënten verwardheid of agitatie ontstaat.

* Vruchtbaarheid

Er is een zeer klein aantal rapporten omtrent een verminderde vruchtbaarheid bij de man en/of abnormale spermatogenese.

* Orale contraceptiva (de pil)

Carbamazepine vermindert de werking van orale contraceptiva; tijdens gelijktijdige behandeling met carbamazepine en orale contraceptiva zijn doorbraakbloedingen opgetreden.

* Spiegelbepaling

Hoewel het verband tussen de doses en de plasmaconcentraties van carbamazepine en tussen de plasmaconcentraties en de klinische werkzaamheid of verdraagbaarheid van dit geneesmiddel tamelijk vaag is, kan een zorgvuldige controle van de plasmaconcentraties in de volgende gevallen van nut zijn: bij zeer sterke stijging van de aanvalsfrequentie; ter controle van de patiënt compliance; bij zwangerschap; bij behandeling van kinderen of adolescenten; indien absorptiestoornis vermoed wordt; indien toxiciteit vermoed wordt bij het gebruik van meer dan één geneesmiddel. Wanneer de behandeling met carbamazepine abrupt gestaakt moet worden moet de patiënt ingesteld worden op een ander anti-epilepticum. In de overgangsfase dient de patiënt voor aanvallen beschermt te worden met een daartoe geschikt middel totdat met het nieuwe geneesmiddel therapeutische bloedspiegels zijn bereikt. Incidenteel is melding gemaakt van bijwerkingen bij het overzetten van de patiënten van het ene carbamazepine bevattende product op het andere.

Interacties Inductie leverenzymsysteem

Tengevolge van inductie van het lever enzymsysteem kan carbamazepine de plasmaconcentratie van bepaalde geneesmiddelen, die door dit enzymsysteem gemetaboliseerd worden, verlagen en de werking er van verminderen of zelfs opheffen. Er moet daarom rekening worden gehouden met:

a) Verkorting van de halfwaardetijd van coumarine-anticoagulantia (antistollingmedicijnen). De dosering van het anticoagulans moet dan worden verhoogd en na staken van de carbamazepine-therapie weer worden verlaagd.

b) Vermindering van de werking van orale anticonceptiva. Zo nodig moet het gebruik van niet-hormonale contraceptieve methoden worden aangeraden.

c) Vermindering van de werking van theofylline (Theolin®).

d) Verlaging van de serumspiegels van enige gelijktijdig gebruikte andere anti-epileptica, zoals valproaat, fenytoïne en fenobarbital. Regelmatige bepaling van de bloedspiegels van deze stoffen is daarom aan te bevelen.

e) Verkorting van de halfwaardetijd van doxycycline (antibioticum).

* Andere anti-epileptica

Anti-epileptica zoals b.v. primidon, fenytoïne, fenobarbital en ethosuximide, kunnen metabole omzetting van carbamazepine tot carbamazepine-epoxide versnellen. Voor fenytoïne en fenobarbital wordt dit klinisch relevant geacht. Sommige geneesmiddelen (bijv. fenytoïne) kunnen zowel de plasmaspiegels verhogen als verlagen.

* Enzymremmers

Enzymremmers kunnen door remming van de afbraak van carbamazepine tot verhoogde carbamazepine-concentraties in het plasma en tot bijwerkingen van carbamazepine, zoals sufheid, hoofdpijn, ataxie, diplopie (dubbelzien) en nystagmus, aanleiding geven. Voorbeelden van zulke enzymremmers zijn: macroliden-antibiotica (b.v. erytromycine), isoniazide, enige calciumantagonisten (b.v. verapamil en diltiazem), dextropropoxyfeen, fluoxetine, fluvoxamine en mogelijkerwijze cimetidine. Ingeval van combinatie met zulke middelen moet de plasmaconcentratie van carbamazepine zorgvuldig gecontroleerd worden en de dosering van carbamazepine eventueel worden verlaagd.

* Isoniazide (medicijn tegen tuberculose)

Er is gerapporteerd, dat gelijktijdig gebruik van carbamazepine en isoniazide de door isoniazide geïnduceerde hepatotoxiciteit verhoogde.

* Lithium

Het gecombineerde gebruik van carbamazepine en lithium of metoclopramide, alsmede dat van carbamazepine en "major tranquillizers" (haloperidol, thioridazine) kan leiden tot versterkte neurologische bijwerkingen (bij de laatste combinatie zelfs ingeval van "therapeutische plasmaspiegels").

* Diuretica (plaspillen)

Gelijktijdig gebruik van carbamazepine en sommige diuretica (hydrochloorthiazide, furosemide) kan leiden tot symptomatische hyponatriëmie.

* Spierverslappers

Carbamazepine kan de effecten van niet-depolariserende spierrelaxantia (b.v. pancuronium) tegengaan; de dosering daarvan moet soms worden verhoogd en bij de patiënten moet zorgvuldig gecontroleerd worden, of de neuromusculaire blokkade eventueel sneller opgeheven wordt dan zonder het gelijktijdig gebruik van carbamazepine te verwachten is.

* Isotretinoïne (middel tegen ernstige acne)

Er is bericht, dat isotretinoïne de biologische beschikbaarheid en/of de klaring van carbamazepine en carbamazepine-10,11-epoxide verandert; de plasmaconcentraties van carbamazepine moeten worden gecontroleerd.

* Alcohol

Aangezien carbamazepine, evenals andere medicamenten met een psychotrope werking, de alcoholtolerantie kan verlagen, verdient het aanbeveling om gedurende de behandeling met carbamazepine zoveel mogelijk af te zien van het gebruik van alcoholische dranken.

* MAO-remmers

Op theoretische gronden (chemische verwantschap met tricyclische antidepressiva) wordt een gelijktijdig gebruik van carbamazepine en MAO-remmers niet aanbevolen. Aangeraden wordt, de behandeling met een MAO-remmer minstens 2 weken voor de toepassing van carbamazepine te staken.


Gebruik bij zwangerschap en het geven van borstvoeding

Dit geneesmiddel dient slechts in overleg met de arts te worden toegepast tijdens zwangerschap.
Indien een patiënte tijdens de behandeling zwanger wordt of wil worden, dient zij dan ook contact met haar arts op te nemen. In het algemeen is het niet gewenst tijdens zwangerschap een anticonvulsieve therapie te staken. Uit waarnemingen bij de mens zijn echter aanwijzingen verkregen, dat carbamazepine schadelijk kan zijn voor de ongeboren vrucht. Het is bekend, dat pasgeborenen van epileptische moeders vaker ontwikkelingsstoornissen, waaronder misvormingen, vertonen dan andere zuigelingen. Er zijn aanwijzingen dat carbamazepine, evenals andere anti-epileptica, dit risico verhoogt. In samenhang met het gebruik van carbamazepine in de zwangerschap zijn zeldzame gevallen van ontwikkelingsstoornissen gerapporteerd, met inbegrip van misvormingen zoals spina bifida (open rug), orofaciale (gehemeltespleet) en cardiale (hart) misvormingen. Patiëntes dienen te worden voorgelicht omtrent de mogelijkheid van een verhoogd risico van misvormingen en over de mogelijkheden van prenatale diagnostiek van enkele van deze misvormingen. De kans, dat er schadelijke effecten optreden bij de ongeboren vrucht, lijkt groter bij combinatie met andere anti-epileptica.

Derhalve dient - waar mogelijk - tijdens zwangerschap de voorkeur te worden gegeven aan monotherapie. Combinatie van carbamazepine met andere geneesmiddelen, die in de lever biotransformatie-enzymen induceren, moet vermeden worden. De laagste doses van carbamazepine, die nog effectief zijn, moeten worden gegeven en de plasmaconcentraties moeten worden gecontroleerd. Het is bekend dat tijdens zwangerschap een foliumzuurtekort kan optreden. Van anti-epileptica is gemeld dat deze het foliumzuurtekort kunnen verergeren. Dit tekort zou kunnen bijdragen aan de verhoogde incidentie van congenitale afwijkingen bij de nakomelingen van vrouwen, die lijden aan epilepsie. Daarom wordt foliumzuursuppletie aanbevolen voor en tijdens de zwangerschap. Een vitamine B12-deficiëntie dient te worden uitgesloten of gecorrigeerd. Ook wordt aanbevolen, om zowel aan de moeder gedurende de laatste weken van de zwangerschap als aan de pasgeborene vitamine K1 toe te dienen, om bloedingscomplicaties bij het kind te vermijden.

Gebruik bij het geven van borstvoeding

Carbamazepine en zijn epoxide-metaboliet gaan over in de moedermelk (de concentratie carbamazepine bedraagt 25-60% van die in het plasma). De voordelen van borstvoeding dienen te worden afgewogen tegen de (kleine) kans, dat bijwerkingen bij de zuigeling optreden. Moeders, die met carbamazepine behandeld worden, mogen hun zuigelingen borstvoeding geven, mits gecontroleerd wordt, of er eventueel bijwerkingen optreden (zoals zeer sterke slaperigheid). Er is één geval bericht, waarbij een zuigeling, die borstvoeding kreeg van een met carbamazepine behandelde moeder, een ernstige overgevoeligheidsreactie van de huid vertoonde.

Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te gebruiken

Het reactievermogen van de patiënt kan nadelig beïnvloed worden door duizeligheid, en slaperigheid, vooral in het begin van de behandeling of tengevolge van dosis-wijzigingen. De patiënten moeten daarom extra voorzichtigheid in acht nemen bij het besturen van voertuigen of het bedienen van machines.

Bijwerkingen

Bij begin behandeling
In het begin van de behandeling heeft ongeveer eenderde van de patiënten last van bijwerkingen. Met name bij oudere patiënten of bij hogere plasmaspiegels (8-10 mg/ml) kunnen in het begin van de behandeling de volgende bijwerkingen frequenter voorkomen:
centrale zenuwstelsel: duizeligheid met nystagmus (snel rukkende beweging van de oogbol), wazig
zien, diplopie (dubbelzien), moeheid, hoofdpijn, ataxie (coördinatiestoornis van de spieren), trage en onduidelijke spraak, dystonie (stoornis in spanning van de spieren), chorea (onwillekeurige, maar gecoördineerde rukkende bewegingen), myoclonieën (plotselinge, rukachtige spiersamentrekkingen), tremor (beven, trillen), psychose
gastro-intestinale stoornissen: misselijkheid, braken
allergische aandoeningen.
De bijwerkingen die in het begin van de therapie kunnen optreden kunnen door dosisvermindering of spontaan in de loop van de behandeling verdwijnen (7 à 14 dagen). Het optreden van bijwerkingen op het gebied van het centrale zenuwstelsel kan een teken zijn van relatieve overdosering of van sterke schommeling van de plasmaconcentratie. In zulke gevallen wordt aangeraden de dosering aan te passen, zonodig op geleide van de plasmaspiegels.

In verloop van behandeling A. Frequent
- neurologisch

duizeligheid, ataxie (coördinatiestoornis van de spieren), slaperigheid, vermoeidheid
- hematologisch (bloed)

matige constante of fluctuerende leukopenie (vermindering witte bloedcellen)
- lever

verhoogd gamma-GT door enzyminductie (gewoonlijk klinisch niet relevant)
- maagdarmkanaal

misselijkheid en braken
B. Af en toe

- neurologisch
hoofdpijn, diplopie (dubbelzien), accommodatiestoornissen (b.v. wazig zien)
- hematologisch (bloed)
eosinofilie (vermeerdering bepaald type witte bloedcellen), trombocytopenie (vermindering
bloedplaatjes)

- lever
verhoogd alkalische fosfatasegehalte (enzym dat vooral in lever voorkomt)

- maagdarmkanaal
droge mond
C. Zelden


- neurologisch
abnormale onwillekeurige bewegingen (b.v. tremor, asterixis, orofaciale dyskinesie, choreoathetose, dystonie, tics), nystagmus (snel rukkende beweging van de oogbol). In geïsoleerde gevallen: oculomotorische (bewegingen oogbol) stoornissen, spraakstoornissen (b.v. dysartrie of onduidelijke spraak), perifere neuritis (zenuwontsteking), paresthesie (jeuk, kriebelingen), spierzwakte, paretische (verlamming) symptomen en aseptische meningitis (hersenvliesontsteking)

- psychiatrie
In geïsoleerde gevallen: hallucinaties (visuele of akoestische), depressie, verlies van eetlust, rusteloosheid, agressief gedrag, agitatie, verwardheid, activering van psychose.

- huid
Allergische huidreacties, urticaria (bultjes), welke verschijnselen ernstig kunnen zijn. Zelden: dermatitis exfoliativa en erythroderma, Stevens-Johnsonsyndroom, systemisch lupus erythematosus-achtig syndroom. In geïsoleerde gevallen: Epidermolysis acuta toxica (syndroom van Lyell), fotosensibiliteit (overgevoeligheid licht), erythema multiforme en nodosum, veranderingen van de huidpigmentatie, purpura, pruritus, acne, zweten, haaruitval. Voorts is er in geïsoleerde gevallen melding gemaakt van hirsutisme (overmatige beharing bij vrouwen), maar het oorzakelijk verband is niet duidelijk.

- hematologisch (bloed)
leukocytose (overmatige aanwezigheid van bepaalde witte bloedcellen), lymfadenopathie (woekering lymfeklier weefsel). In geïsoleerde gevallen: agranulocytose (plotselinge verdwijning van bepaalde witte bloedcellen uit het bloed), aplastische anemie (bloedarmoede door uitblijven aanmaak rode bloedcellen), pure red cell aplasia, megaloblastenanemie (bepaald soort bloedarmoede), acute intermitterende porfyrie (bloedziekte), reticulocytose (abnormale vermeerdering bepaald jonge rode bloedcellen), gebrek aan foliumzuur en mogelijkerwijze hemolytische anemie (bepaald soort bloedarmoede, pseudo-lymfoom (ophoping lymfocyten).

- lever
verhoogde gehaltes aan transaminasen (enzym); geelzucht, cholestatische, hepatocellulaire of gemengde vormen van hepatitis (leverontsteking).In geïsoleerde gevallen: granulomateuze hepatitis.

- maagdarmkanaal
diarree of obstipatie. In geïsoleerde gevallen: abdominale (buik) pijn, maagklachten, glossitis (ontsteking van de tong), stomatitis (ontsteking van het mondslijmvlies), anorexie (gebrek aan eetlust).
- overgevoeligheidsreacties
Een zich traag ontwikkelend, vele organen betreffend, overgevoeligheidssyndroom met de volgende, in verschillende combinaties optredende, verschijnselen: koorts, exantheem (huiduitslag), vasculitis (vaatontsteking), lymfadenopathie (woekering lymfeklier weefsel), symptomen, die gelijken op die van lymfoom, artralgie (gewrichtspijn), leukopenie (vermindering witte bloedcellen), eosinofilie (vermeerdering bepaald type witte bloedcellen), hepatosplenomegalie (vergroting lever en milt), en abnormale leverfunctietesten. Ook andere organen kunnen aangedaan zijn (b.v. longen, nieren, pancreas, myocard). In geïsoleerde gevallen: Anafylactische reactie. Indien overgevoeligheidsreacties optreden, moet de behandeling met carbamazepine beëindigd worden.

- Cardiovasculair (hart en vaten)
Cardiale prikkelgeleidingsstoornissen. In geïsoleerde gevallen: bradycardie (vertraagde hartwerking), aritmieën (verstoord ritme van het hart), AV-block (geleidingsstoornis) met syncope (flauwvallen), collaps (flauwvallen), congestieve hartinsufficiëntie, hypertensie (hoge bloeddruk) of hypotensie (lage bloeddruk), verergering van coronaire hartziekte, tromboflebitis (afsluiting ader door stolsel met ontsteking vaatwand), trombo-embolie (stolsel dat bloedvat afsluit)
Endocrien systeem en metabolisme (hormonen en stofwisseling)
oedeem (onderhuidse vloeistofophoping), vloeistofretentie, gewichtstoename, hyponatriëmie en verminderde plasma-osmolaliteit tengevolge van een antidiuretisch hormoon (ADH)-achtig effect, dat in zeldzame gevallen leiden kan tot waterintoxicatie, verbonden met lethargie (slaapzucht), braken, hoofdpijn, verwardheid, of neurologische stoornissen. In geïsoleerde gevallen: gynaecomastie (overmatige ontwikkeling mannelijke borstklieren) of galactorroe (melkvloed).
Abnormale schildklierfunctietesten: verminderde waarden van L-thyroxine (FT4, T4, T3) en verhoogde TSH-waarden, meestal zonder klinische symptomen.

- stoornissen van de botstofwisseling
afname van plasmacalcium en 25-OH-cholecalciferol, in uitzonderingsgevallen leidend tot osteomalacie (beenverweking t.g.v. tekort aan vitamine
D). Verhoogde waarden van cholesterol, met inbegrip van HDL-cholesterol, en van triglyceriden.

- urogenitaal systeem
In geïsoleerde gevallen: interstitiële nephritis (nierontsteking) en nierinsufficiëntie alsmede symptomen van nierfunctiestoornissen (b.v. albuminurie, hematurie, oligurie en verhoogde serumureum-waarden/azotemie), frequente urinelozing, urineretentie en seksuele stoornissen/impotentie.

- zintuigen
in geïsoleerde gevallen: smaakstoornissen, lenstroebelingen, conjunctivitis (ontsteking bindvlies ogen), tinnitus (oorsuizen), hyperacusis (verhoogde gehoorscherpte soms met pijngevoel).

- skelet en spieren
In geïsoleerde gevallen: artralgie (gewrichtspijn), spierpijn of -kramp.
- ademhalingswegen
In geïsoleerde gevallen: pulmonale (long) overgevoeligheidsreacties, welke worden gekenmerkt door koorts en/of dyspnoea (benauwdheid) en/of pneumonitis en/of pneumonie (longontsteking).


Overdosering
Symptomen
Centraal zenuwstelsel
Depressie van het centrale zenuwstelsel, desoriëntatie, slaperigheid, agitatie, hallucinaties, coma, wazig zien, onduidelijke spraak, dysartrie, nystagmus, ataxie, dyskinesie, aanvankelijk hyperreflexie, later hyporeflexie, convulsies, psychomotorische stoornissen, myoclonus, hypothermie.
Ademhalingswegen
Ademdepressie, longoedeem.
Cardiovasculair systeem
Tachycardie, hypotensie, soms hypertensie, prikkelgeleidingsstoornissen met verwijding van het QRS-complex, syncope in samenhang met hartstilstand.
Gastro-intestinaal
Braken, vertraagde lediging van de maag, verminderde darmmotiliteit.
Nierfunctie
Urineretentie, oligurie of anurie, vloeistofretentie, waterintoxicatie.
Er is geen specifiek tegengift. De behandeling wordt in het begin bepaald door de klinische conditie van de patiënt; opname in het ziekenhuis

Farmacodynamische eigenschappen
Het werkingsmechanisme is slechts gedeeltelijk opgehelderd. De werking van carbamazepine komt waarschijnlijk tot stand door een vermindering van de spanningsafhankelijke stroom van natriumionen. Aangenomen mag worden dat twee belangrijke eigenschappen van deze verbinding, te weten de remming van hoogfrequente herhaaldelijk optredende neurale ontladingen en vermindering van de uitbreiding van synaptische impulsen, een direct gevolg hiervan zijn. Ook de remmende werking van carbamazepine op de catecholamine-omzetting en op de vrijgifte van glutamaat zouden een gevolg van dit effect kunnen zijn. Remming van de glutamaatafgifte draagt bij aan de verzwakking van de excitatoire transmissie. De remmende werking op de omzetting van dopamine en noradrenaline is mogelijk verantwoordelijk voor de antimanische eigenschappen van carbamazepine.

Farmacokinetische eigenschappen
Steady-state plasmaconcentraties van carbamazepine worden bereikt binnen circa 1-2 weken, individueel afhankelijk van auto-inductie door carbamazepine en hetero-inductie door andere enzyminducerende geneesmiddelen, alsmede van de voorbehandeling, dosering en behandelingsduur.
De halfwaardetijd voor de eliminatie van onveranderd carbamazepine uit het plasma bedraagt na eenmalige orale toediening gemiddeld circa 36 uur. Bij continu gebruik bedraagt de halfwaardetijd tengevolge van auto-inductie van het mono-oxygenase enzymsysteem in de lever echter nog slechts 16 tot 24 uur, al naar gelang van de duur van de behandeling. Bij patiënten, die tevens behandeld worden met andere leverenzyminducerende geneesmiddelen (b.v. fenytoïne, fenobarbital) worden halfwaardetijden van gemiddeld 9-10 uur gevonden. De gemiddelde eliminatiehalfwaardetijd van de 10,11-epoxide-metaboliet in het plasma is circa 6 uur na toediening van enkelvoudige dosis van het epoxide zelf.







We zijn afhankelijk van giften en baten wij vragen u ons te steunen. U bijdrage is welkom op giro: 8 4 4 5 5 8 7 vast bedankt

Copyright © Stichting Epilepsie Netwerk