Taloxa-tabs 400/600 mg, tabletten/Taloxa-susp,suspensie à 600 ml


Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling
Eén tablet Taloxa-Tabs 400 bevat 400 mg felbamaat. Eén tablet Taloxa-tabs 0 bevat 600 mg felbamaat. 5 ml Taloxa-Susp suspensie bevat 600 mg felbamaat.

Farmaceutische vorm : Tabletten en suspensie voor orale toediening.

Therapeutische indicaties
Taloxa is niet geïndiceerd als eerste-keuze-behandeling bij epilepsie. Na zorgvuldig afwegen van de risico's en de voordelen met betrekking tot bloeddyscrasie, meer in het bijzonder aplastische anemie en ernstige levertoxiciteit kan Taloxa worden toegepast bij de volgende indicatie: Als adjuvante behandeling bij patiënten met Lennox-Gastaut syndroom die 4 jaar of ouder zijn en die niet reageren op alle beschikbare anti-epileptica. Het mogelijke risico als gevolg van het gebruik van Taloxa moet afgewogen worden tegenover het risico als gevolg van de afwezigheid van een alternatieve medische behandeling. Na 2 tot 3 maanden behandeling moet een zorgvuldige beoordeling van de werkzaamheid van Taloxa uitgevoerd worden. Alleen patiënten bij wie een belangrijke klinische verbetering van de aanvallen werd verkregen (d.w.z. een uitgesproken vermindering van de frequentie of van de ernst van de aanvallen) mag de behandeling worden voortgezet (zie "Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik"). Taloxa mag alleen onder toezicht van een neuroloog of een kinderarts met ervaring in de behandeling van epilepsie worden gebruikt. Patiënten moeten vóór het begin van de behandeling op de hoogte gebracht worden van de mogelijke risico's in verband met het gebruik van Taloxa (zie "Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik"). Patiënten moeten eveneens ingelicht worden dat het gebruik van Taloxa gepaard kan gaan met aplastische anemie en leverinsufficiëntie, die beiden fatale aandoeningen kunnen zijn. (zie "Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik").

Dosering en wijze van toediening
Patiënten ouder dan 14 jaar: begindosering 600 mg tot 1200 mg per dag, toegediend in 2 of 3 giften. De dosering kan per week worden opgevoerd met 600 mg tot 1200 mg per dag tot maximaal 3600 mg per dag. De uiteindelijke dagdosering moet worden verdeeld over 3 of 4 giften. Patiënten tussen 4 en 14 jaar: begindosering 7.5 mg/kg/dag tot 15 mg/kg/dag, toegediend in 2 tot 3 giften. De dagdosering kan per week met 7,5 mg/kg tot 15 mg/kg per dag worden verhoogd tot maximaal 45 mg/kg/dag, maar niet meer dan 3600 mg/dag. De uiteindelijke dagdosering moet worden verdeeld over 3 tot 4 giften. Patiënten jonger dan 4 jaar: de werkzaamheid en de veiligheid zijn niet vastgesteld bij kinderen jonger dan 4 jaar. Gelijktijdig gebruik van andere anti-epileptica: in combinatie met carbamazepine, fenytoïne of valproïnezuur kan dit produkt de frequentie van de bijwerkingen van deze produkten verhogen (zie rubriek "Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie"). Het verdient aanbeveling de dosering van carbamazepine, fenytoïne of valproïnezuur met 20 % tot 30 % te verlagen bij de aanvang van de behandeling met Taloxa-Tabs of Taloxa-Susp. Bovendien verdient het aanbeveling de plasmaspiegels van andere tegelijkertijd gegeven anti-epileptica te volgen. Op basis van de spiegels en/of het optreden van bijwerkingen kan de dosering van de anti-epileptica verder worden aangepast. Gebruik bij ouderen: op basis van een beperkt aantal klinische gegevens bij patiënten ouder dan 65 jaar behandeld met Taloxa-Tabs of Taloxa-Susp, zijn geen beperkingen noodzakelijk ten aanzien van ouderen. In het algemeen moet de aanpassing van de dosis bij oudere patiënten evenwel met voorzichtigheid worden toegepast. Dosering bij patiënten met nierinsufficiëntie: bij deze groep van patiënten werden geen studies uitgevoerd. De behandeling moet dan ook met een lage dosis begonnen worden en moet voorzichtig verhoogd worden onder zorgvuldige controle van de patiënt.

Contra-indicaties
Taloxa-Tabs of Taloxa-Susp is gecontraïndiceerd bij patiënten met een bekende overgevoeligheid voor felbamaat of één van de andere bestanddelen en bij patiënten met een voorgeschiedenis van bloeddyscrasie of verstoorde leverfunctie.

Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik
Informatie voor de patiënten: patiënten moeten vóór het begin van de behandeling ingelicht worden dat het gebruik van Taloxa gepaard kan gaan met aplastische anemie en leverinsufficiëntie, welke fatale aandoeningen kunnen zijn. Bloeddyscrasie: een aantal ernstige hematologische bijwerkingen, waaronder trombocytopenie, leukopenie, pancytopenie, anemie en aplastische anemie werden gemeld in verband met het gebruik van Taloxa. De meest ernstige bijwerking is aplastische anemie. In 30% van de gevallen was deze fataal. De incidentie wordt geraamd op één geval per 4000 behandelde patiënten, wat een aanzienlijke toename is (100 X meer) t.o.v. het verwachte percentage (2 tot 5/miljoen personen/jaar). Om deze reden mag Taloxa alleen gebruikt worden bij patiënten met het syndroom van Lennox-Gastaut die niet reageren op een behandeling en waarvoor geen alternatieve medische behandeling beschikbaar is. De gevallen van aplastische anemie werden 2 tot 12 maanden na het begin van de behandeling met Taloxa vastgesteld. De schade aan de beenmergcellen, die verantwoordelijk is voor aplasie kan echter weken tot maanden vroeger optreden. Om deze reden blijven patiënten, verschillende maanden na stopzetting, een risico lopen voor het ontstaan van aplastische anemie. Het is niet bekend of het gevaar voor het ontstaan van aplastische anemie afhankelijk is van de duur van de blootstelling. Daarom kan niet worden verondersteld dat een patiënt die gedurende een lange tijd behandeld werd met Taloxa zonder verschijnselen van hematologische abnormaliteiten, geen gevaar meer zou lopen. Een bepaling van het hematologisch bloedbeeld moet vóór het begin van en tijdens de behandeling met Taloxa om de twee weken worden uitgevoerd. Als de resultaten van het hematologisch bloedbeeld wijzen op een neutropenie (aantal neutrofielen < 1.500 per mm3) en/of op een thrombocytopenie (aantal plaatjes < 150.000 per mm3), moet de behandeling met Taloxa gestopt worden en moet de patiënt onderzocht worden op mogelijke aplastische anemie. Een zorgvuldige controle van het klinische beeld zoals ecchymosen, petechiën, bloedingen of verschijnselen van infectie en/of anemie (vermoeidheid, zwakte, enz...) is noodzakelijk. Als dergelijke symptomen aanwezig zijn, moet onmiddellijk het hematologisch bloedbeeld worden bepaald. Hepatotoxiciteit: ernstige gevallen van acute leverinsufficiëntie (in 30% van de gevallen met fatale afloop) werden gemeld bij patiënten, behandeld met Taloxa. Leverfunctietesten (AST, ALT, bilirubine) moeten vóór het begin van de behandeling met Taloxa uitgevoerd worden. Patiënten met een abnormale leverfunctie mogen niet met Taloxa behandeld worden. Tijdens de behandeling moeten om de twee weken leverfunctietesten uitgevoerd worden. Bij patiënten waarbij een klinisch significante abnormale leverfunctie ontstaat, moet de behandeling met Taloxa worden stopgezet. Bij patiënten met symptomen zoals icterus, anorexia, misselijkheid, braken en abdominale pijn moet onmiddellijk de leverfunctie worden gecontroleerd. Overgevoeligheid: Taloxa moet met voorzichtigheid gebruikt worden bij patiënten met bewezen overgevoeligheidsreacties op carbamaten. Ernstige overgevoeligheidsreacties, waaronder anafylactische shock, syndroom van Stevens-Johnson, bulleuze huiduitslag en epidermale necrolyse werden met polytherapie en monotherapie gemeld en deden zich doorgaans 2 tot 3 weken na de start van de behandeling voor. De symptomen omvatten uitslag, koorts, zwelling van de slijmvliezen en anafylaxie, leukopenie, trombocytopenie, verhoogde leverfunctietesten, artralgie, myalgie en pharyngitis. In geval van overgevoeligheid voor Taloxa moet de behandeling onmiddellijk worden gestopt en moeten passende symptomatische maatregelen worden genomen. Stopzetten van Taloxa: anti-epileptica, waaronder Taloxa, mogen doorgaans niet ineens gestopt worden wegens de mogelijkheid van een verhoogde frequentie van de aanvallen. Als de ernst van de bijwerkingen evenwel een onmiddellijke stopzetting vereist, moet dit onder nauwgezet medisch toezicht gebeuren. Patiënten bij wie Taloxa gestopt werd wegens ernstige bijwerkingen mogen niet opnieuw behandeld worden.

Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Felbamaat wijzigt de plasmaconcentraties van carbamazepine, fenytoïne en valproïnezuur en/of hun metabolieten. Om de mogelijke bijwerkingen wegens interacties te beperken, zal de dosering van carbamazepine, fenytoïne en valproïnezuur verlaagd worden op basis van het optreden van bijwerkingen en steady-state-plasmaconcentraties, indien van toepassing. (Zie "Dosering en wijze van toediening"). Invloed van felbamaat op andere anti- epileptica: Carbamazepine: felbamaat vermindert de steady-state-plasmaconcentraties van carbamazepine met circa 25% terwijl de concentraties van carbamazepineëpoxide met circa 50% worden verhoogd. Fenytoïne: felbamaat remt de klaring van fenytoïne op een dosisafhankelijke wijze. De plasmaconcentratie van fenytoïne kan met 20 tot 60 % stijgen.

Valproïnezuur: felbamaat in doseringen van 600 mg of 1200 mg 2 maal per dag verhoogt de steady-state-plasmaconcentraties van valproïnezuur op een dosisafhankelijke, lineaire wijze. Met de lagere dosering van felbamaat verhoogden de gemiddelde AUC en dalconcentraties van valproïnezuur met respectievelijk 28% en 18%. Deze waarden namen proportioneel toe met de hogere dosering van felbamaat. Clonazepam, oxcarbazepine en vigabatrine: alhoewel felbamaat bij een dosering om de 12 uur van 1200 mg statistisch significante veranderingen veroorzaakte in de farmacokinetiek van clonazepam, oxcarbazepine en vigabatrine, zijn deze wijzigingen minimaal en wellicht klinisch niet relevant. Omdat een farmacodynamische interactie van felbamaat met deze produkten niet uitgesloten kan worden, moet de aanpassing van de dosering altijd gebaseerd zijn op het klinisch beeld van de patiënt en de bijwerkingen. Effecten van andere anti-epileptica op felbamaat: Carbamazepine/fenytoïne: als carbamazepine of fenytoïne samen met felbamaat worden toegediend kan de daling van de steady-state- plasmaconcentraties van felbamaat tot 20% bedragen; Valproïnezuur: valproïnezuur blijkt een minimaal effect te hebben op de klaring van felbamaat. In één studie waren de laagste concentraties van felbamaat echter ongeveer 50% hoger dan bij monotherapie met Taloxa-Tabs of Taloxa-Susp. Effect van felbamaat op cytochroom P-450: felbamaat stimuleert het cytochroom P-450 enigszins in de rat en in de mens. De mogelijkheid van interacties met middelen die door dit leverenzymsysteem gemetaboliseerd worden, kan niet worden uitgesloten. Effect van voedsel: voedsel heeft geen invloed op de snelheid en omvang van absorptie van felbamaat.

Gebruik bij zwangerschap en het geven van borstvoeding
Over het gebruik van felbamaat tijdens de zwangerschap van de mens bestaan onvoldoende gegevens om de mogelijke schadelijkheid te beoordelen. Er zijn tot dusver geen aanwijzingen voor schadelijkheid bij dierproeven. Bij ratten werd placentapassage waargenomen van felbamaat. Wegens het risico voor beenmergsuppressie bij de foetus, dient felbamaat niet gebruikt te worden tijdens de zwangerschap. Er zijn geen klinische studies met vrouwen die borstvoeding geven. Het is niet bekend of felbamaat in de moedermelk wordt uitgescheiden. Daar een mogelijk risico bestaat dat Taloxa onderdrukking van het beenmerg kan veroorzaken bij kinderen die borstvoeding krijgen, mag Taloxa niet worden toegediend aan moeders die borstvoeding geven.

Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te gebruiken
De invloed van Taloxa-Tabs of Taloxa-Susp op de rijvaardigheid en bekwaamheid om machines te bedienen is niet onderzocht. Patiënten kunnen duizeligheid of slaperigheid ondervinden en voorzichtigheid is derhalve geboden.

Bijwerkingen
Het gebruik van Taloxa gaat gepaard met een toename van de gevallen met bloeddyscrasie, waaronder aplastische anemie, en hepatotoxiciteit (zie "Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik"). Om die reden moeten een bepaling van het bloedbeeld en leverfunctietesten uitgevoerd worden vóór de behandeling met Taloxa en om de 2 weken tijdens de behandeling. Bij patiënten waarbij een abnormaal bloedbeeld of een abnormale leverfunctie wordt vastgesteld, moet de behandeling met Taloxa gestopt worden. Adjuncttherapie: bij volwassenen die behandeld werden met Taloxa- adjuncttherapie zijn de meest frequente bijwerkingen: misselijkheid, anorexia, duizeligheid en braken. Eveneens werd regelmatig melding gemaakt van gewichtsverlies, slapeloosheid, dubbelzien, slaperigheid, hoofdpijn en dyspepsie. Veel minder frequent zijn ataxie, abnormaal zien, abdominale pijn en oververmoeidheid. Uitslag, abnormale loopwijze, spraakstoornissen, depressie, gevoelloosheid, angst en hypofosfatemie werden zelden gemeld. Kinderen vertoonden een vergelijkbaar patroon van bijwerkingen. Bovendien werden bij kinderen frequent infecties van de bovenste luchtwegen waargenomen. Een relatie met de behandeling is echter niet waarschijnlijk. Overgevoeligheidsreacties, waaronder het syndroom van Stevens-Johnson, werden zeer zelden gemeld (zie "Speciale waarschuwingen en bijzondere voorzorgen bij gebruik").

Overdosering
Vijf patiënten kregen in het kader van een adjuvante behandeling of als monotherapie met felbamaat ongewild een overdosering van 4000 tot 12000 mg/dag. De bijwerkingen waren licht tot matig ernstig en omvatten duizeligheid, constipatie, purpura, hoofdpijn, misselijkheid, braken, gewichtsverlies, koorts, otitis media, slaperigheid en milde tachycardie (100 slagen/min.). Tijdens de post-marketing-bewaking, werden overdoseringen tot 40.000 mg felbamaat gemeld. De grote meerderheid van de patiënten herstelde zonder verdere gevolgen. De bijwerkingen omvatten ataxie, nystagmus, diplopie, onrust of coma. Eén patiënt die een overdosis van verschillende middelen had genomen, waaronder felbamaat, alcohol, theofylline en clozapine overleed. Geen andere sterfgevallen werden gemeld na een overdosis felbamaat, noch in monotherapie, noch in polytherapie. Als een overdosis is ingenomen, moeten algemene ondersteunende maatregelen worden genomen. Het is niet bekend of felbamaat dialyseerbaar is.

Farmacodynamische eigenschappen
Felbamaat is een chemisch en farmacologisch nieuw anti-epilepticum. Het is een dicarbamaat dat structureel verschillend is van andere bekende carbamaten. Het juiste werkingsmechanisme is niet bekend. Receptorbindingstudies in-vitro wijzen erop dat felbamaat geen of zwakke remmende effecten op de GABA-receptorbinding en op de benzodiazepinereceptorbinding heeft. Bovendien heeft felbamaat geen excitotoxische effecten en vertoont geen antagonisme met de neurotoxische effecten van N-methyl-D-aspartaat (NMDA), kaïnaat of quisqualaat in-vitro, wat erop wijst dat felbamaat geen NMDA-antagonist is. In preklinische farmacologische studies werd de anticonvulsieve activiteit van felbamaat aangetoond. Felbamaat is werkzaam in testen met een maximale elektroshock bij muizen en in testen met aanvallen geïnduceerd door subcutaan toegediend pentyleentetrazol. Felbamaat is ook werkzaam tegen aanvallen geïnduceerd door picrotoxine en bicuculline. De doeltreffendheid van felbamaat in epileptische modellen met chemische substanties en maximale elektroshocks wijst erop dat het middel zijn anti-epileptische activiteit uitoefent door een verhoging van de drempel voor aanvallen en het voorkomen van de uitbreiding van aanvallen. Felbamaat was werkzaam in 5 gecontroleerde studies met partiële epilepsie met of zonder secundaire generalisatie en in een studie met het syndroom van Lennox-Gastaut. Deze laatste studie omvatte patiënten met atone aanvallen, atypische absence-aanvallen en gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen. In deze studie toonden doses tot 45 mg/kg/dag of 3600 mg/dag een verband aan tussen de plasmaconcentratie en de preventie van aanvallen. Felbamaat werd toegediend in een enkele dosis tot 1200 mg of in meervoudige doseringen van tweemaal 200 tot 600 mg per dag gedurende maximaal 28 dagen bij gezonde vrijwilligers. Personen met epilepsie (partiële aanvallen) kregen herhaalde toedieningen van tweemaal 800 en 1200 mg per dag gedurende respectievelijk 28 dagen en 6 weken. Deze studies toonden geen klinisch significante bijwerkingen op de belangrijke orgaansystemen waaronder het centraal zenuwstelsel, het cardiovasculair systeem, het hematopoëtisch systeem, de nieren, de lever of de luchtwegen.

Farmacokinetische eigenschappen
Biologische beschikbaarheid: na orale toediening van 14C-felbamaat aan gezonde mannen werd ongeveer 90% van elke dosis teruggevonden in de urine en minder dan 5% in de faeces. Felbamaat blijkt goed te worden geabsorbeerd. De absolute systemische biologische beschikbaarheid werd niet onderzocht. Metabolisme: op basis van vergelijkingen van de AUC werd meer dan 85% van de plasmaradioactiviteit veroorzaakt door onveranderd felbamaat. Behalve felbamaat werden de volgende metabolieten geïdentificeerd in menselijk urine: p-hydroxyfelbamaat, 2-hydroxyfelbamaat, monocarbamaatderivaten en polaire metabolieten van felbamaat (waaronder felbamaatconjugaten). In studies met éénmalige en herhaalde toediening aan gezonde vrijwilligers en patiënten met epilepsie was de tijd voor het bereiken van de maximale plasmaconcentratie (Tmax) 2 tot 6 uur. De terminale halfwaardetijd van felbamaat bedroeg 15 tot 23 uur. Na eenmalige of herhaalde orale toediening aan gezonde mannelijke proefpersonen vertoonde felbamaat een lineaire farmacokinetiek bij doses tot 1200 mg/dag, met een dosis-lineaire toename van AUC en Cmax. Hogere doses werden bij deze vrijwilligers niet onderzocht. Eiwitbinding: felbamaat werd voor 22% tot 25% reversibel gebonden aan menselijke plasma-eiwitten, hoofdzakelijk albumine. Plasmaconcentraties: in gecontroleerde klinische studies met felbamaat werd de doeltreffendheid aangetoond bij gemiddelde plasmaconcentraties tussen 32 en 82 µg/ml. In een studie met het syndroom van Lennox-Gastaut werd een effect op atone aanvallen vastgesteld bij gemiddelde concentraties felbamaat van slechts 18 µg/ml. Felbamaatconcentraties tot 137 µg/ml werden bij sommige patiënten waargenomen die behandeld werden met de aanbevolen dosering, en deze werden goed verdragen. Distributie: felbamaat of zijn metabolieten passeren de bloed/hersen-barrière.

Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

In dierenstudies die tot 1 jaar duurden, waren veranderingen in de lever, wijzend op inductie van enzymen die geneesmiddelen metaboliseren, duidelijk bij ratten. In studies bij ratten en muizen gedurende twee jaar werd geen toename van de incidentie van goedaardige of kwaadaardige levertumoren of van de totale tumorincidentie vastgesteld. Een toegenomen frequentie van interstitiële tumoren in de testes van mannelijke ratten behandeld met hoge doses werd niet waargenomen in de lagere dosisgroepen of in studies van één jaar bij ratten of honden of van twee jaar bij muizen. Dit soort tumoren bij ratten zijn niet ongewoon: bij de mens zijn interstitiële celtumoren van de testes evenwel zeldzaam. De relevantie van deze bevinding voor het beoordelen van het risico bij de mens is niet duidelijk.

Lijst van hulpstoffen

Taloxa-Tabs 400, tabletten en Taloxa-Tabs 600, tabletten: gepregelatineerd zetmeel, microkristallijne cellulose, natriumcroscarmellose, lactose, magnesiumstearaat. Taloxa-Susp, suspensie: sorbitol, glycerine, microkristallijne cellulose en natriumcarboxymethylcellulose, dimeticonemulsie, natriumsaccharinaat, methylhydroxybenzoaat, polysorbaat 80, propylhydroxybenzoaat, natriumbenzoaat, prosweet "G"#859, gezuiverd water.

Houdbaarheid : De houdbaarheid van de tabletten bedraagt 5 jaar.

Speciale voorzorgsmaatregelen bij opslag
Tabletten en suspensie moeten bij kamertemperatuur (15-25°C) bewaard worden.

Aard en inhoud van de verpakking

Taloxa-Tabs 400, tabletten: doos met 100 tabletten in aclar/LDPE/PVC doordrukstrip. Taloxa-Tabs 600, tabletten: doos met 100 tabletten in aclar/LDPE/PVC doordrukstrip. Taloxa-Susp, suspensie à 600 mg/5 ml: HDPE-fles à 230 ml met maatlepeltje.

Gebruiksaanwijzing/verwerkingsinstructie

Tabletten en suspensie: de verpakking goed gesloten houden. Suspensie: goed schudden voor het gebruik. Een plastic maatlepel wordt bij Taloxa-Susp meegeleverd. Het streepje van 1,25 ml is geschikt voor het afmeten van een dosis van 150 mg; het streepje van 2,5 ml voor 300 mg en het streepje van 5 ml voor 600 mg felbamaat.






We zijn afhankelijk van giften en baten wij vragen u ons te steunen. U bijdrage is welkom op giro: 8 4 4 5 5 8 7 vast bedankt

Copyright © Stichting Epilepsie Netwerk